Supreme Nothingness
Liz Diller, medeoprichter van Diller Scofidio + Renfro, vindt dat je vaker met opzet weinig moet doen bij een ontwerpopgave. Zij noemt die leegte “supreme nothingness”. Voor een stad als New York, waar iedereen altijd ergens mee bezig is, is dat een kleine revolutie: plekken maken die je dwingen tot niets. Diller noemt het de ontdekking van een nieuwe stedelijke deugd, en vergelijkt het met staren in een open haard, een vorm van stedelijke rust die ontstaat doordat je blikveld wordt beperkt en het gewone ineens de moeite waard wordt.
High Line
Een park zonder speeltoestellen, zonder horeca-overkill, zonder een duidelijk programma dat je vertelt wat je er moet doen: als architect ben je opgevoed met het idee dat een ontwerp iets moet oplossen. Hier was niets opgelost. Wat de High Line nodig had, was terughoudendheid. De verlaten spoorbaan had zich twintig jaar lang zelf ontwikkeld tot een verwilderde ruïne, met zaden uit voorbijrijdende goederentreinen die een eigen ecosysteem hadden gezaaid. Haar rol was niet om dat te verbeteren, maar om het vooral niet te verpesten. Dat is een radicaal ander uitgangspunt dan de meeste ontwerpopgaven: niet toevoegen, maar met opzet weinig doen.
The Shed
Bij The Shed in Hudson Yards krijgt datzelfde principe een mechanische vertaling. Een telescopische buitenschil kan over rails worden weggeschoven, waardoor een volledig open plein ontstaat, of juist worden uitgeschoven tot een geklimatiseerde zaal voor drieduizend bezoekers. Het gebouw kiest dus niet één identiteit. Het is bij toerbeurt niets en alles, plein en zaal, publieke ruimte en kunstinstelling, precies afhankelijk van wat een moment vraagt.
Wild Urbanism
In Zaryadye Park in Moskou werkt Diller met wat ze “wild urbanism” noemt: geen voorgeschreven paden, geen strikte scheiding tussen verharding en plantsoen, maar 'tongen' van wilde begroeiing die het verharde oppervlak binnendringen. Ook hier is de ingreep vooral een kwestie van loslaten: natuur krijgt evenveel gewicht als ontwerp, in plaats van eronder te worden bedolven.
In haar monografie Architecture, Not Architecture, verschenen in 2025, verdeelt Diller haar eigen oeuvre bewust in twee helften: het werk dat wél als architectuur geldt, en het werk dat dat niet doet, installaties, performances, publieke kunst. Die knip is een statement. Ze suggereert dat het interessantste ruimtelijke werk zich vaak precies buiten de grenzen van het vak afspeelt, in de marge van wat er officieel als “architectuur” wordt geteld.
InterSphere
Ik herken die fascinatie. Bij Studioninedots onderzoeken we met InterSphere hetzelfde uitgangspunt: openbare ruimtes zonder vastgelegde functie, waar gebruikers zelf bepalen wat er gebeurt, in plaats van een programma dat dat al heeft besloten. Het is onderdeel van een reeks onderzoeken, samen met WeSpace en WanderVoids, die allemaal draaien om zonering en overgangen tussen publiek en privaat. Waar Diller het heeft over loslaten als esthetische en filosofische keuze, noemen wij het een ontwerpprincipe: niet dichttimmeren en ruimte laten voor wat nog moet komen.
Positionering
Diller werkt met haar “supreme nothingness” vanuit een andere positie. De High Line kreeg fors filantropisch kapitaal en een stadsbestuur dat een verlaten spoorlijn tot iconisch project bombardeerde. The Shed staat midden in Hudson Yards, een van de duurste vastgoedontwikkelingen ter wereld. In een gewone Nederlandse gebiedsontwikkeling heb je geen fonds en geen ontwikkelaar die miljoenen investeert in een plein dat “niets” doet. Dat is precies waarom InterSphere anders begint dan Diller: niet als gebaar van een gevestigd instituut, maar als voorwaarde die je vanaf de eerste schets in een gewoon bouwproces moet zien te krijgen. Moeilijker, misschien minder foto's waard, maar minstens zo belangrijk.
Diller's grootste verdienste is dat ze “niets” salonfähig heeft gemaakt in een vak dat is opgevoed met het idee dat elke vierkante meter een functie nodig heeft. Wat ik ervan meeneem, is niet het decor van haar projecten, maar de discipline erachter: durven wachten met invullen, ook als iedereen om je heen al een programma van eisen klaar heeft liggen.
Gebaseerd op interviews en publicaties over Liz Diller en Diller Scofidio + Renfro, waaronder Louisiana Channel (“Supreme Nothingness”), Architecture, Not Architecture (Phaidon, 2025) en projectdocumentatie van The Shed en Zaryadye Park. Lees hier meer over InterSphere.
Meer van dit ? Kijk op Herderfactory.nl
Acht keer het niets van Liz Diller
Wie haar interviews en projecten naast elkaar legt, ziet een consistente visie ontstaan. Acht punten die daarin steeds terugkeren.
1. Architectuur is een sociale relatie, geen gebouw
Voor Diller is architectuur de fysieke manifestatie van hoe mensen zich tot elkaar verhouden. Het gebouw is secundair, de ruimtelijke conditie die menselijk gedrag vormt, is primair. Dat verklaart waarom haar werk net zo goed installaties, performances en curatoriale projecten omvat.
2. De beste openbare ruimte bestaat vaak al
Bij de High Line was de verwilderde ruïne de eigenlijke vondst. Het ontwerp bestond uit het herkennen van wat er al was. Haar meest geciteerde uitspraak over het project: ons belangrijkste werk was om het niet te verpesten.
3. Het onontworpene overtreft het ontworpene
Diller zoekt consequent naar wat zij het 'stedelijk onbewuste' noemt: de plekken die ontstaan buiten de controle van planners en ontwerpers, waar natuur, toeval en gebruik samen iets maken dat geen masterplan had kunnen bedenken.
4. Niets doen is ook een programma
De High Line biedt geen sportfaciliteiten, geen speeltuinen, geen recreatie in conventionele zin. Alleen zitten en lopen. Diller noemt dat "supreme nothingness", en beschouwt het als de ontdekking van een nieuwe stedelijke deugd.
5. Een beperkt blikveld maakt het gewone bijzonder
Door kadrering en vertraging wordt het alledaagse bijzonder. Diller vergelijkt het met staren in een open haard: een vorm van stedelijke zen die ontstaat doordat je gedwongen wordt anders te kijken.
6. De architect bewaakt het publieke belang boven de opdracht
In een stad die steeds meer wordt gevormd door private ontwikkelaars, positioneert Diller de architect expliciet aan de kant van het publieke belang. Haar Louisiana-interview heet niet voor niets "On the Side of Public Space".
7. Wildheid hoort in de stad
Met "wild urbanism" in Zaryadye Park stelt Diller dat natuur niet getemde decoratie moet zijn maar een gelijkwaardige kracht. Geen paden die je vertellen waar je moet lopen, geen harde randen, maar 'tongen' van groen die het verharde oppervlak binnendringen.
8. Het interessantste werk valt buiten wat we architectuur noemen
De bewuste tweedeling in haar monografie Architecture, Not Architecture is een statement: de installaties, de publieke kunstprojecten, de performances, het werk dat de discipline normaal niet erkent, is net zo wezenlijk als de gebouwen.